
Hoe kijken we bij het OM naar verdachten met een licht verstandelijke beperking (LVB)? Deze vraag wordt steeds relevanter nu de kwetsbare doelgroep bij meer ketenpartners scherper in het vizier komt zoals politie, Bureau Halt, de Raad voor de Kinderbescherming en de zittende magistratuur. Welke consequenties heeft deze ontwikkeling voor de inhoudelijke afwegingen binnen het OM?
In dit artikel delen Isabeth Mijnarends, Marthyne Kunst (programmadirectie Straf met Zorg) en Pamela Guldie (beleidsadviseur B&S PAG) hun kennis en ervaring over de strafrechtelijke aspecten bij verdachten met een licht verstandelijke beperking.
Het lijkt voor de hand liggend om de vraag of sprake is van een LVB zo vroeg mogelijk in de strafrechtelijke keten te beantwoorden. Helaas is dat vaker niet dan wel het geval. Voor het vaststellen van LVB bij een verdachte is het OM afhankelijk van ketenpartners. Zij signaleren LVB en nemen een SCIL (Screener voor Intelligentie en Licht verstandelijke beperking) af bij verdachte.
Pamela Guldie: “Er zijn wel aanknopingspunten te halen uit het verhoor, vooral uit het sociale verhoor waar de opleiding of het werk van de verdachte naar voren komt. Maar het herkennen van een LVB is vaak juist lastig omdat mensen met een LVB verbaal niet zelden veel sterker zijn dan performaal."
Uit verschillende uitspraken blijkt dat de een verdachte met LVB een andere aanpak vraagt in de reguliere juridische molen. Recentelijk oordeelde het Hof Amsterdam over de vraag over de betrouwbaarheid van een bekennende verklaring van een verdachte met LVB die was verkregen tijdens verhoor zonder (effectieve) bijstand van een raadsman bij
die verhoren, terwijl het de verhorende politieambtenaren duidelijk moet zijn geweest dat de verdachte een verstandelijke beperking had.
Daarbij oordeelde het Hof:
“…dat het hof behoedzaamheid zal betrachten bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte en bij die beoordeling in dit geval het ontbreken van verhoorbijstand niet zonder betekenis is.”
Pamela Guldie geeft aan dat de afgelopen jaren voor (en door) politie, reclassering en DJI diverse Handreikingen LVB zijn gemaakt. Eind vorig jaar hebben de Rechtspraak en de Vereniging van Nederlandse Jeugdrechtadvocaten aangegeven graag mee te werken aan een Handreiking LVB voor de rechtspraak en advocatuur. Ook het OM heeft aangegeven om tot een dergelijke handreiking te willen komen. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid financiert het traject om tot die
Handreikingen te komen.
“Voor het OM is het uiteraard van belang dat de verdachte met een licht verstandelijke beperking zo spoedig mogelijk in het strafproces wordt herkend, dat hij middels de aanwezigheid van een raadsman en wellicht ook zijn ouders of een andere vertrouwenspersoon in vrijheid zijn verklaringen kan afleggen en dat een passende interventie wordt geadviseerd, geëist en opgelegd krijgt die aansluit bij zijn mogelijkheden. Dat betekent een extra inspanning om de doorlooptijden van dit soort strafzaken te versnellen en in de executiefase ook voortvarendheid te betrachte” aldus Isabeth Mijnarends.
Duidelijk is dat LVB herkend moet worden binnen de strafrechtketen. Naast het afnemen van een SCIL als er aanwijzingen zijn voor LVB, betekent dit afspraken maken met ketenpartners over wie de test afneemt: reclassering of politie? Als sprake is van LVB dan moet het politieverhoor worden aangepast: een advocaat er bij of een audio visueel verhoor. Dat voorkomt situaties zoals eerder genoemde uitspraak. In jeugdzaken experimenteren Halt en de raad voor de kinderbescherming hier al mee. Ook in de opsporingsfase is het van belang om een verdachte met LVB in het vizier te krijgen.
Pamela Guldie: “Voor een goede afdoening is het van groot belang of al dan niet sprake is van een LVB. Het probleem bij dit soort zaken zit in de proportionaliteit en subsidiariteit van de omvang van het strafbare feit in relatie tot de te overwegen sanctie of behandeling. Dit moet in balans blijven met elkaar. Deze uitdaging komt bij uitstek tot uitdrukking in het programma Straf met Zorg.”
Zo oordeelde het Hof Den Bosch dat een jeugdige verdachte met een licht verstandelijke beperking uit voorlopige hechtenis moest worden geschorst:
“...omdat deze zo min mogelijk dient te worden blootgesteld aan een omgeving waar een negatieve invloed van uit gaat op het gedrag van een jeugdige die bovendien makkelijk te beïnvloeden is.“
De rechter overwoog daarbij dat toewijzing van de voorlopige hechtenis in dit geval bij de verdachte LVB’er een groter negatief effect op de kans tot recidive heeft dan gebruikelijk:
“Langdurige blootstelling aan een omgeving met veel en constante negatieve invloed is niet bevorderlijk voor het tegengaan van recidive. Het onttrekken aan die omgeving is ook voor de samenleving een belang waarvan de betekenis niet mag worden onderschat.”
Deze uitspraak sluit aan bij de gedachte dat, net als bij jeugdigen of verdachten met psychosociale of psychiatrische problematiek, LVB vraagt om een passende interventie.
Marthyne Kunst geeft aan wat dat kan zijn: “Bijvoorbeeld door te onderzoeken of het adolescentenrecht moet worden toegepast bij jong volwassenen met een LVB. Vervolgens moet worden gekeken naar een straf die een verdachte met LVB begrijpt en gekoppeld is aan eventueel zorg en/of passende begeleiding. Op zitting zal de officier, maar ook de rechter, zich in een voor een verdachte met LVB
begrijpelijke taal moeten uitlaten. Anders gaat de zitting en de uitspraak aan verdachte voorbij.”
Met de wetenschap dat de emotionele ontwikkelingsleeftijd bij LVB tussen 3-7 jaar ligt vraag je bijvoorbeeld niet naar de geboortedatum.
Je vraagt: wanneer ben je jarig?
Wat ons betreft is het tijd voor een andere koers waarbij het strafrecht beter aansluit bij de problemen die in de samenleving bestaan. Dat betekent werken vanuit een breder perspectief, zodat LVB bij verdachten vroegtijdig wordt gesignaleerd.
Wil jij de online nieuwsbrief 'Straf met Zorg' in de toekomst ontvangen? Meld je dan aan via strafmetzorg@om.nl.
“Als je de LVB Virtual Reality-bril opzet ervaar je de enorme last voor mensen met een licht verstandelijke beperking om aansluiting te vinden bij het ‘normale’ leven, laat staan de wereld van justitie. Aan ons de opdracht en uitdaging die verbinding met hen te zoeken in de wetenschap dat als we straffen met zorg zij zich in elk geval gezien en gehoord voelen. Een voorwaarde voor het nemen van verantwoordelijkheid voor strafbaar gedrag”