
“Parket Den Haag werkt hard aan een goede verbinding tussen ZSM en het Veiligheidshuis. We weten elkaar steeds beter te vinden en dat betaalt zich uit. Huiselijk geweld zaken zijn soms moeilijk te bewijzen, terwijl alle professionals op ZSM aanvoelen dat er wel degelijk iets speelt binnen het gezin. Politie maakt in die gevallen altijd een melding bij Veilig Thuis en er wordt regelmatig een procedure voor een huisverbod opgestart met politie en gemeenten. Een warme overdracht aan het Veiligheidshuis maakt het plaatje compleet.”
Thécla Krapels, projectcoördinator AP Den Haag
In zaken die niet bewijsbaar zijn maar er wel een aantoonbare zorg is, draagt de professional de zaak warm over aan politie, de 3RO of Veilig Thuis of maakt een melding bij het Zorg en Veiligheidshuis.
Het Veiligheidshuis liet ons na een melding van een zorgelijke, onbewijsbare, huiselijk geweld zaak weten dat zij alle betrokken ketenpartners bij elkaar had gebracht. Moeder -aangever in deze zaak- bleek in een opvanghuis te verblijven waar zij een intensief traject volgde.
Naar aanleiding van de melding werd het hulpverleningstraject geïntensiveerd en de regels voor moeder werden verscherpt om de situatie voor haar kind veiliger te maken. Daarnaast werd er ingezet op de omgang tussen moeder en haar ex, de verdachte in deze casus.
Uit de strafzaak volgde dat zij elkaar bleven opzoeken, een goede omgangsvorm was hierdoor van belang voor de structurele veiligheid van alle betrokkenen.
En dan opeens zijn ze er: de minimumnormen Straf met Zorg. Terwijl er toch zeker anderhalf jaar denk-, schrijf- en, vooral ook, schrapwerk aan vooraf ging. Er kwamen ook veel vragen: waarom zijn minimumnormen nodig? Of, wat gaat straf met zorg veranderen en wat voor invloed hebben minimumnormen voor mij en mijn werk?
De minimumnormen vormen de basis voor het handelen en het werk van de OM professional in zaken met een straf met zorg thema.
De ontwikkeling van de minimumnormen Straf met Zorg (verder: minimumnormen) was geen eenvoudig proces. In de eerste plaats, omdat het programmateam het uitgangspunt had om de minimumnormen in samenwerking met OM collega’s en professionals te ontwikkelen. Noem het een coproductie waarbij het eerste denk- en schrijfwerk is gedaan door collega’s in verschillende functies uit de organisatie. Dat werkte zo.
Er werd een werkgroep samengesteld met een teamleider, kwaliteitsofficier, officier van justitie en een portefeuillehouder. Daarnaast werkten 10 projectcoördinatoren (een per AP) aan het programma Straf met Zorg. Zij hebben niet alleen meerdere malen feedback gegeven, maar juist ook de minimumnormen straf op alle lagen van hun parketten getoetst. Op die manier hebben meer dan 100 mensen uitgebreid feedback gegeven op de minimumnormen. Uiteraard is deze feedback meegenomen in de verschillende schrijf- en schrapfases.
Een lastig punt in het proces was het vinden van een antwoord op de vraag: wat is precies de rol van de OM professional?
Als het gaat over wat je minimaal moet doen in zaken waar er een verdachte is met een of meer problemen (denk aan schulden, verslaving, geen huisvesting, geen werk) dan kan je heel veel, maar wat doe je minimaal als OM professional?
Met die vraag is het programma Straf met Zorg aan de slag gegaan. We hebben veel onderwerpen en casussen besproken, nagedacht over wat dit betekent in de dagelijkse praktijk, werksessies en werkgroepen georganiseerd. Uiteindelijk kregen we steeds scherper in beeld wat de OM professional minimaal zou moeten doen bij in zaken met een straf met zorg thema. Welke vaardigheden zijn daarvoor nodig en welke randvoorwaarden moeten aanwezig zijn vanuit de organisatie om goed te kunnen functioneren in deze zaken.
Een andere factor die in dit proces speelde, was dat er geen zaakstroom ‘Straf met Zorg’ bestaat. Het heeft invloed op alle zaken waar sprake is van multiproblematiek en het valt binnen verschillende thema’s (bijvoorbeeld: huiselijk geweld, jeugd). Bovendien haakt het ook nog aan portefeuilles waarvan bekend is dat het complexe zaken zijn (denk aan Wvggz).
Bovenstaande maakte het essentieel om de minimumnormen met collega’s en professionals te ontwikkelen.
Het streven is dat in 2022 de rol van het OM in straf met zorg thema’s intern en extern duidelijk is. Daarvoor is nodig dat de professionals zich blijven ontwikkelen, leren en dat de samenwerking met de partners steeds beter gaat. Hiermee willen we betere en effectievere afdoeningen bereiken.
Ambitieus? Zeker. Haalbaar? Natuurlijk. Maar niet van de een op de andere dag. Het is belangrijker om in kleine stappen te koersen naar het realiseren van de minimumnormen. Zo gaat, met ondersteuning van de landelijke implementatieverantwoordelijke, elk parket in eigen tempo aan de slag met veranderplannen.
Marco van Putten, projectcoördinator AP Oost Nederland over de invulling van Minimumnorm 4:
“Oost-Nederland gaat in de Zorg- en Veiligheidshuizen werken met een netwerkspecialist. De huidige parketsecretarissen die werkzaam zijn in de Zorg- en Veiligheidshuizen, starten als de netwerkspecialist. Een belangrijk onderdeel van de opdracht van de netwerkspecialist is om tot een integraal plan van aanpak te komen, waarin straf en zorg gecombineerd wordt om tot een passende aanpak te komen. De kennis en vaardigheden die we van een netwerkspecialist verwachten, is vastgelegd in een competentieprofiel."
Minimumnorm 4 Straf met Zorg
Iedere professional moet het OM kunnen vertegenwoordigen in een relevant samenwerkingsverband.
Kennis van de mogelijkheden van onze netwerkpartners is een voorwaarde om tot een goed plan van aanpak te komen. De introductie van de netwerkspecialist is onderdeel van een vernieuwing van de werkwijze in de samenwerking. Het is belangrijk dat we van elkaar weten wat er speelt per district. Alle collega’s die binnen een bepaald district werkzaam zijn op het gebied van straf met zorg gaan hierover met elkaar in overleg. Vragen die besproken worden zijn bijvoorbeeld: welke ontwikkelingen zijn er binnen het district op het gebied van Straf met Zorg? Wie gaat naar welk overleg en hoe zorgen we ervoor dat we onderling informatie uitwisselen uit deze overleggen? En hoe kunnen we volgens een eenduidige werkwijze werken binnen het district?