
Karel van Duijvenbooden is bijna twaalf jaar manager van het Zorg- en Veiligheidshuis Regio Utrecht. Ook is hij voorzitter van de landelijke vereniging van managers Zorg en Veiligheidshuizen. Vanuit die functie zit hij ook in de landelijke stuurgroep Zorg en Veiligheid. Na de zomer gaat hij met vervroegd pensioen. Hoe kijkt hij terug op de ontwikkeling van de Zorg- en Veiligheidshuizen? "Samenwerken levert je niet meteen extra tijd op, maar wel kwaliteit."
Welke ontwikkeling heb jij in al die jaren bij de Zorg- en Veiligheidshuizen gezien?
Als je de Veiligheidshuizen van ruim tien jaar geleden, toen ze nog onder het OM vielen, vergelijkt met de Zorg- en Veiligheidshuizen (ZVH-en) van nu, dan valt vooral de bredere scope op. Er zijn meer partners aangehaakt, van gemeenten onder wiens verantwoordelijkheid de ZVH-en nu functioneren, tot aan de zorgpartners zoals jeugdzorg, verslavingszorg, forensische zorg en de GGZ. De casuïstiek die we bespreken is ingewikkeld en je hebt iedereen, van gemeente, zorg tot justitie, nodig. Het zorgt er niet voor dat een casus makkelijker is op te lossen, of dat iedereen het altijd met elkaar eens is. Maar ik vind dat je juist bij die meest complexe problematiek altijd moet streven naar een domeinoverstijgende integrale aanpak. Je stelt een gezamenlijk probleem centraal, krijgt begrip voor elkaars standpunten en benadrukt ieders aandeel in het totale plan van aanpak. Er heerst nog wel eens het beeld dat het ZVH een praathuis is, dat het alleen maar gaat om het bespreken van zaken. Maar we zitten met alle betrokken organisaties dicht op de uitvoering. Het ZVH op zichzelf is niets, geen organisatie. Wij bepalen niet wat anderen moeten doen, maar faciliteren dat organisaties met elkaar afstemmen en gezamenlijk uitvoeren wat is afgesproken.
Heb je een voorbeeld van een zaak die voor jou de meerwaarde van een ZVH laat zien?
De meerwaarde van die integrale aanpak zag ik bij een ex-tbs’er die naar huis terugkeerde. Na verloop van tijd zorgde hij voor veel overlast in de wijk. We bespraken deze zaak op de tafel van het ZVH Utrecht met verschillende betrokken partijen, van OM en politie tot de GGZ. Dan zie je dat iedereen in aanvang verschillende standpunten heeft. De één zegt dat justitie moet ingrijpen, de ander dat het meer iets is voor de zorg. Die verschillende perspectieven moeten gehoord worden om een goede keuze te kunnen maken. Uiteindelijk is een constructie bedacht waarbij de man werd aangehouden, er daarna meteen een beoordeling op basis van de Wvggz plaatsvond en de gemeente bemiddelde in een plek voor begeleid wonen. Hiermee hebben we volgens mij voorkomen dat het in de wijk zou escaleren. De meerwaarde zat voor mij in de uitgebreide analyse van de zaak en het feit dat sommige professionals hun nek uitstaken en buiten de gebaande paden durfden te denken.
Welke ontwikkeling heb je gezien in de rol van het OM binnen de ZVH-en?
Sinds een aantal jaar werkt het OM in de ZVH-en in de regio Utrecht met interventiespecialisten. Dat zijn allemaal mensen die gewend zijn om ruimer te denken. Dat helpt in de aanpak van zaken. Waar een officier van justitie in een casusoverleg soms te veel op het pad van vervolging en opsporing blijft, denken de interventiespecialisten creatief mee en durven ze buiten de gebaande paden te gaan. Verder kijken dan alleen die opsporing en vervolging. Bijvoorbeeld over specifieke bijzondere voorwaarden die bij een voorwaardelijk vonnis kunnen bijdragen aan een betere begeleiding van een verdachte. Het is daarna de uitdaging om de zaaksofficier mee te krijgen in de bedachte aanpak. Al zie ik steeds vaker officieren die toch hun nek durven uit te steken en kiezen voor een aanpak die misschien iets minder ‘standaard' is.
Wat zijn uitdagingen waar de ZVH-en voor staan?
Wat soms wel frustreert is bepaalde wet- en regelgeving. Ingewikkelde regels rondom schuldhulpverlening en woonruimte beperkt de mogelijkheden om mensen perspectief te bieden. Dat geldt ook voor wachttijden voor begeleid wonen en lange doorlooptijden bij bijvoorbeeld een hoger beroep. Ook hebben we steeds meer te maken met organisatieontwikkelingen die beperkend zijn in de gezamenlijke aanpak zoals personeelstekorten en capaciteitsproblemen bij samenwerkingspartners. Verder is het een uitdaging om selectief te blijven in welke zaken we wel en niet aanpakken. Je kunt niet alles op de tafel van een ZVH schuiven, dan wordt het teveel. Organisaties moeten in staat zijn om bij de minder complexe zaken zelf de samenwerking te zoeken.
Wat zou je zo richting je afscheid willen meegeven aan professionals uit het straf- en zorgdomein?
Blijf de samenwerking zoeken. Dat klinkt simpel. Maar op momenten dat het druk is, dan zijn organisaties geneigd te focussen op hun eigen taak. Dan mis je de meerwaarde van samen kijken. Samenwerken levert je misschien niet meteen tijd op, maar wel kwaliteit. Het persoonlijke contact tussen professionals van verschillende organisaties helpt echt in het bepalen van een goede aanpak. Luister naar elkaars visie en begrijp wat een ander wel of juist niet kan en waarom niet. Ondanks al die verschillende perspectieven, van straf tot zorg, tot een gezamenlijke en creatieve oplossing van een probleem komen. Op zo’n manier dat het de persoon om wie het gaat en de maatschappij wat oplevert. Dat vind ik het leukste aan mijn werk en dat ga ik na de zomer ook zeker missen!