
Een minderjarige die verdacht wordt van het stelen van een scooter, maar ook met verkeerde vrienden op straat hangt. Of een jongen die betrokken is bij een straatroof en vaak spijbelt.
Het zijn voorbeelden van strafzaken die binnenkomen bij ZSM. En waarbij besloten moet worden over een passende strafrechtelijke afdoening. Maar tegelijkertijd zijn het ook zaken waarin een duidelijke zorgcomponent zit. Hoe gaat het eigenlijk met deze jongeren? Is er vanuit de gemeente al jeugdhulpverlening betrokken bij deze gezinnen? In hoeverre kunnen ouders de opvoeding nog aan?
Veel vragen waar vanwege de schotten tussen organisaties uit het straf- en zorgdomein vaak geen antwoorden op komen. Terwijl ze wel relevant zijn om een jongere zo goed mogelijk te kunnen helpen, weer op het rechte pad te krijgen en te voorkomen dat problemen groter worden.
Om die reden startten het arrondissementsparket Oost-Nederland, de Raad voor de Kinderbescherming locatie Arnhem en de gemeenten Ede en Arnhem de pilot ‘omgevingsadvies ZSM Jeugd'.
André Hartman, medewerker bij de Raad voor de Kinderbescherming is vanaf het begin betrokken bij de pilot. “We gebruiken het moment van het delict om een verandering in gang te zetten. Dit doen we bij zaken waar op basis van de informatie van de politie bredere zorgen zijn. Denk aan veel blowen, schoolverzuim of omgaan met verkeerde vrienden. Na de melding van zo’n zaak op ZSM nemen we een time-out van veertien dagen, voordat het OM besluit over de strafrechtelijke afdoening. Die tijd gebruiken we om met ouders, jongere, wijkteam, Raad voor de Kinderbescherming en eventuele andere betrokkenen om tafel te gaan en te komen tot een plan. In dat gesprek zetten we de zorgen centraal in plaats van het delict.”

Met elkaar wordt gewerkt aan een omgevingsadvies wat moet leiden tot de juiste hulp aan een minderjarige en ouders. André noemt het voorbeeld van een jongen die een straatroof had gepleegd en ook niet meer naar school ging. "Zijn ouders wisten niet meer wat ze moesten doen om hem te motiveren. We gingen in gesprek met deze jongen, zijn ouders, een hulpverlener van moeder en de wijkagent. Samen kwamen we tot het besluit dat de jeugdreclassering op vrijwillige basis met de jongen aan de slag zou gaan. Dat bleek goed te werken. Ruim voor zijn strafzaak op zitting kwam, ging hij weer naar school en had hij een goede vrijetijdsbesteding. En tijdens de strafzitting bleek dat jeugdreclassering niet meer nodig was.”

Vanuit de gemeente Ede is Denise van der Plaat, beleidsadviseur Jeugd & Veiligheid betrokken. “Het komt vaak genoeg voor dat de jeugdhulpverlening niet op de hoogte is dat er ook nog strafbare feiten spelen. Dan is er een kans dat die jongere en het gezin tussen wal en schip vallen, omdat je belangrijke zorgen mist. Als een jongere op het politiebureau zit, is de motivatie voor hulp bij zowel de jongere als de ouders vaak ook groter. Mocht uit het omgevingsadvies blijken dat een jongere bijvoorbeeld worstelt met een zinvolle dagbesteding of aan sport wil doen, maar niet weet hoe dit (financieel) te regelen, dan hebben wij vanuit de gemeente korte lijntjes met jongerenwerkers of een lokale partij voor sport en bewegen."
Carlo Dronkers is jeugdofficier van justitie bij AP Oost-Nederland en ziet veel voordelen in het omgevingsadvies. “We willen met z’n allen voorkomen dat relatief kleine problemen groter worden. Wachten totdat een zaak op zitting staat om problemen aan te pakken, dat duurt vaak te lang. Als er een omgevingsadvies ligt wordt de strafzitting een moment waarop de officier en kinderrechter kunnen toetsen of de ingezette weg van vrijwillige hulpverlening ook daadwerkelijk goed heeft uitgepakt. Of dat er toch nog meer nodig is, in de vorm van bijzondere voorwaarden."

Deze pilot staat of valt met de bereidwilligheid van alle partijen om hieraan mee te werken. Dat begint al met de toestemming die ouders en jongeren moeten geven voor het delen van informatie tussen hulpverlening en justitiële organisaties. Vervolgens moeten alle betrokkenen ook hun agenda’s vrij maken om op korte termijn om tafel te gaan. "Ouders vinden zo’n gesprek vaak best spannend", aldus Denise. “Maar achteraf geven ze in de meeste gevallen aan het fijn en vooral erg helpend te vinden. Vaak worstelen ze al langer met opvoeding van hun kind. Begrenzen en begeleiden werkt het best als je dat zo snel mogelijk na een incident doet." Carlo begrijpt dat ouders wat huiverig zijn als organisaties informatie met elkaar delen. “Tegelijkertijd is het bijna gek dat als je een jongere en zijn systeem centraal stelt, je niet alle informatie tot je beschikking hebt. Het is ook het vertrouwen hebben dat we het goede doen en niets doen als het niet nodig is, ‘if it ain’t broke, don’t fix it.'"
Alle partijen hopen dat de pilot, die nog enkele maanden zal doorlopen, leidt tot een betere samenwerking tussen organisaties uit het straf- en zorgdomein. Denise: “Het is mooi om te zien hoe iedereen net een stapje harder loopt om te zorgen dat een jongere minder snel opnieuw in de fout gaat.” Ook willen ze komen tot heldere afspraken over informatiedeling. Carlo: “Voor mij is de pilot geslaagd als we ruimhartiger kunnen zijn met het delen van belangrijke informatie. We moeten niet wachten totdat het echt misgaat met een jongere.” Voor André zijn belangrijke voordelen van het omgevingsadvies de snelheid van reageren en het moment van het delict aangrijpen als kans voor verandering. “Als ik terug hoor van ouders dat ze met hun handen in het haar zaten, eigenlijk opvoedondersteuning nodig hadden en nu blij zijn dat dit snel in gang is gezet, geeft dat voor mij de meerwaarde wel aan.”
Meer weten over de pilot omgevingsadvies ZSM Jeugd? Neem contact op met Monique Willemsen, adviseur Beleid en Strategie OM Oost-Nederland, m.willemsen@om.nl