
Effectievere aanpak straf met zorg door inzet van data. Het OM vroeg medewerking van het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) om verdachten met problematiek op een of meer leefgebieden te kunnen onderzoeken. Om daar een goed beeld van te krijgen, werden de gegevens van een half miljoen unieke geregistreerde verdachten, ingestroomd in de periode 2013-2017, gekoppeld aan achtergrondkenmerken.
Toon van der Heijden, senior beleidsadviseur PAG, analyseerde de opgevraagde data en presenteerde de tussentijdse resultaten.
Over de relevantie van het onderzoek voor de dagelijkse praktijk zegt hij:
“We weten uit criminologisch onderzoek dat problemen op meerdere leefgebieden, zoals schulden en psychische stoornissen, een criminogene werking hebben. We hadden eerder echter weinig inzicht in de aard en mate waarin multiproblematiek voorkomt bij personen in de strafketen. Met harde cijfers op tafel kunnen we dat niet meer negeren. Met deze data willen we de collega’s bewust maken van het feit dat in een groot aantal gevallen er sprake is van een bredere problematiek, zodat een OvJ daarmee rekening mee kan houden in de dagelijkse beslissingen. Onder andere bij de toepassing van effectieve interventies.”
Bovenstaande bevindingen uit het onderzoek werpt de vraag op: hoe gaan wij op dit moment om met deze verdachten met multiproblematiek?
Minstens zo interessant als de cijfers over verdachten met multiproblematiek zijn de bevindingen over hoe OM en ZM omgaan met verdachten met multiproblematiek.
Dat kwam naar voren in het onderzoek waarbij de groep verdachten met problemen op een of meer leefgebieden werd afgezet tegen een groep van verdachten zonder problemen.
Hieruit blijkt een relatie te zijn tussen problematiek en gekozen interventie.
Deze inzichten bieden een goed startpunt voor gesprek over effectieve straffen met zorg.
In een vervolgonderzoek zijn multiprobleemverdachten met alle verdachten en een qua leeftijd en sekse vergelijkbare steekproef van de Nederlandse bevolking vergeleken. Wat uit deze cijfers blijkt is dat de verschillen tussen deze drie groepen het grootst zijn bij GGZ-contact (waarbij geen sprake is van middelengebruik).
Van de steekproef uit de Nederlandse bevolking heeft 0,2% GGZ-contact in tegenstelling tot 18% van de verdachten zonder multiproblematiek en maar liefst 59% bij verdachten met problemen op meerdere leefgebieden.
Volledigheidshalve geeft Toon van der Heijden aan dat het ingewikkeld blijft om volledig te zijn als alleen gebruikt wordt gemaakt van bronnen waarvan de datakwaliteit op orde is. Zo is in het onderzoek indicaties voor Licht Verstandelijke Beperking (LVB) betrokken, maar we weten dat veel personen met een LVB (nog) niet door een formele instantie zijn beoordeeld.
De cijfers vertegenwoordigen in dit geval maar in zeer beperkte mate de maatschappelijke werkelijkheid. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is minder dan 1% van de bevolking licht verstandelijk beperkt, terwijl uit onderzoek blijkt is dat bij circa 40% van gedetineerden sprake van LVB is.
Een gat dat met de cijfers nog niet te verklaren is. Voldoende reden dus om met dit onderzoek door te gaan en stap voor stap te verbreden met andere bronnen.
Jeroen de Ridder, Analist en Coördinerend adviseur bij het Parket-Generaal, over wenselijke onderzoeken in de toekomst:
“We zouden de doelgroep van straf met zorg veel preciezer in beeld kunnen brengen. We hebben nu de pragmatische benadering gekozen en zijn aan de slag gegaan met de informatie die er is, niet de informatie die je wil. Met meer informatie wordt het beeld veel rijker en preciezer, maar kun je ook veel meer “on target” de effecten van bewuste interventies in beeld brengen, door het OM, of door de partners in het netwerk. Om zo te concluderen of het programma het gewenste effect sorteert, namelijk het voorkomen van recidive.”
Wil jij de online nieuwsbrief 'Straf met Zorg' in de toekomst ontvangen? Meld je dan aan via strafmetzorg@om.nl